Ontheffing opdracht lid gegevensbeschermingsautoriteit: geen uiterst dringende situatie volgens Raad van State

Op de webiste van de Raad van State is op 17 augustus 2022 een persbericht gepubliceerd over een geding dat ingeleid was door een – ondertussen – voormalig lid van de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit. De Raad van State diende zich uit te spreken over de vordering tot schorsing, ingesteld volgens de uitzonderlijke procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid, van een voormalig lid van de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit. De verzoekende partij, een man, was tot voor kort lid van de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit en wel als directeur van het algemeen secretariaat en zelfs als voorzitter van de autoriteit.

Het gehele arrest van de Raad van State is hier te vinden: http://www.raadvanstate.be/arr.php?nr=254326 (arrest van 17 augustus 2022).

Welnu, beste bezoeker van deze website, ik wil het met u hebben over de passages in het arrest over het achteruitgaan van het gezinsinkomen. In het arrest is namelijk te lezen dat ten gevolge van de ontheffing van de opdracht er een aanzienlijke achteruitgang zou zijn in het gezinsinkomen en dat net op het moment dat twee kinderen aan hun studies in het middelbaar onderwijs zouden beginnen.

Zo stelde de voormalige directeur in zijn verzoekschrift gericht aan de Raad van State: “De beslissing heeft een zeer ernstige beperking van het gezinsinkomen van betrokkene tot gevolg, aangezien het gezin ongeveer 60% van zijn maandelijks netto-inkomen verliest. Het maandelijks netto-inkomen van de betrokkene dat wegvalt, bedraagt immers 6277,63 euro (stuk 55), zodat het gezin moet rondkomen met het inkomen van de echtgenote van de heer XXXX dat netto 4372,41 euro bedraagt (stuk 56). Het gezin heeft vaste kosten van 2139,79 euro per maand voor enkel de afbetaling van hypothecaire kredieten, voor onder meer de aankoop en verbouwing van de enige en eigen woning van het gezin (stuk 57). Na aftrek van allerlei overige vaste kosten (water, elektriciteit, stookolie, …) dreigen betrokkene en zijn gezin over onvoldoende inkomsten te beschikken om in hun dagelijkse behoeften te voorzien. In dat verband kan ook gewezen worden op weldra te verwachten (aanzienlijke) onkosten die de start van het academiejaar voor de oudste twee kinderen met zich zal meebrengen. […] bevinden zich immers in de startfase van hun opleiding aan de universiteit (stuk 58).

Welnu, de Raad van State maakt korte metten met deze argumenten. In een paragraaf die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat, stelt de Raad van State: “Een dergelijke veeleer vage uiteenzetting kan niet de spoedeisendheid, laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering aantonen.”

Wenst u mijn mening? Ik ben zeer tevreden dat de Raad van State het argument van het achteruitgaan van het gezinsinkomen niet aanvaardt om de zaak te aanzien als “dringend”. Er blijft nog altijd een gezinsinkomen over van meer dan 4000 euro netto. Het gezin heeft blijkbaar ook een hypothecaire afbetaling lopen van meer dan 2000 euro; dit wil zeggen dat er een financiering is gezocht voor een zeer groot bedrag. Het gezin in kwestie zal dan ook kennelijk geen honger gaan lijden in de nabije toekomst. De Raad van State heeft in deze zaak daarom, althans dat is mijn mening, een correcte toepassing gemaakt van het principe dat enkel uiterst dringende zaken mogen en kunnen behandeld worden volgens de zogenaamde “UDN-procedure” (waarbij UDN de afkorting is van “uiterst dringend noodzakelijk”.

Wat er verder gaat gebeuren in deze zaak, valt nog af te wachten. Het vervalt te verwachten dat de zaak nu verder ten gronde zal behandeld worden; uitspraak over ongeveer 12 à 18 maanden.