Mechelse celstraf voor spandoek: “Stop islamisering”. Korte bespreking.

Vandaag, 26 mei 2021, sprak de Mechelse correctionele rechtbank, dit is het niveau van eerste aanleg in strafzaken, een veroordeling uit van vier personen. De vier personen zijn veroordeeld voor feiten – beter gezegd: een feit – van 30 mei 2020. De veroordeling houdt verband met hun lidmaatschap van Voorpost. Deze groepering had namelijk op 30 mei 2020 een betoging georganiseerd tegen “islamisering”. Op die voorlaatste dag van mei droegen zij namelijk borden met het opschrift “Is dit de toekomst van Vlaanderen!? Nee, bedankt!” en een groot spandoek met daarop het opschrift: “Stop islamisering”. De letter o van het woord ‘Stop’ betrof een verbodsbord met een afbeelding van een moskee. Op het spandoek waren verder ook twee rijen vrouwen te zien. De eerste rij vrouwen draagt een nikab, de tweede rij vrouwen een boerka.
Uit het vonnis blijkt dat de groepering van actievoerders met 5 waren en dat ze voor actie gekozen hadden op 30 mei 2020 omdat de week ervoor, volgens eigen verklaringen, moslims “hun ding mochten doen” aangaande het Suikerfeest. De actie die plaatsvond op het tijdstip van de markt werd echter niet in dank afgenomen en leidde tot hun arrestatie waarbij het vonnis van de kamer MC4 vermeldt dat die gebeurde “onder leiding van de burgemeester”. Op pagina 3 en 4 van het vonnis wordt ingegaan op de verdediging dat artikel 150 van de Grondwet er zich tegen zou verzetten dat de correctionele rechtbank (en niet het Hof van Assisen) kennis neemt van de zaak. Opmerkelijk is dat de rechtbank niet expliciet stelt dat het niet om een drukpersmisdrijf gaat. De rechtbank stelt veeleer dat het wél om een drukpersmisdrijf gaat maar dat het om een drukpersmisdrijf gaat dat is ingegeven door racisme of xenofobie. Waardoor de rechtbank zich bevoegd acht. Er wordt hiervoor verwezen naar een arrest van het Hof van Beroep van 23 januari 2009. De rechtbank te Mechelen stelt: “In artikel 150 van de Grondwet wordt niet expliciet verwezen naar de racismewet, zodat drukpersmisdrijven die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie door de correctionele rechtbank beoordeeld kunnen worden, voor zover ze ingegeven werden door racisme of xenofobie.”
In het vonnis wordt verder verwezen naar de vraag van de beklaagden om “een hele reeks prejudiciële vragen” aan het Grondwettelijk Hof te stellen. De rechtbank citeert de voorgestelde vragen evenwel niet, maar vat ze samen en stelt dat de voorgestelde vragen betrekking zouden hebben op de wettigheid van de Discriminatiewet (d.i. de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het valt te betreuren dat de lezer die geen kennis heeft van de conclusies van de beklaagden niet weet wat men juist als vragen heeft voorgesteld.
Kern van de beoordeling door de Mechelse correctionele rechtbank is de analyse die gemaakt wordt van de feiten onder artikel 22, lid 4 van de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Artikel 22 van de discriminatiewet kan niet los gelezen worden van artikel 444 van het Strafwetboek. Dit laatste artikel vereist dat de feiten gepleegd werden met een zekere mate van openbaarheid (bijvoorbeeld bij openbare bijeenkomsten of op openbare plaatsen). Om strafbaar te zijn onder de discriminatiewet is dan weer vereist dat de beklaagden wetens en willens handelingen hebben gesteld die aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan. En het moet gaan om discriminatie waarbij men een zogenaamd “beschermd criterium” aanvalt (hier: religie).
Welnu, aan de openbaarheidsvereiste zegt de rechtbank dat voldaan is. Dit is evident en correct: de zaterdagmarkt te Mechelen is inderdaad een “openbare plaats”. De rechtbank meent evenwel ook dat voldaan is aan de vereiste dat wordt aangezet tot haat en geweld. En daar gaat de rechtbank toch wel erg ver. De volgende passages uit pagina 7 van het vonnis zijn dermate opmerkelijk dat ik ze hier integraal citeer. Er staat op die pagina te lezen: “Deze gedragingen gaan verder dan het uiten van kritiek of het voeren van een maatschappelijk debat. Het is immers niet zo dat uit de inhoud van beide spandoeken een loutere kritiek blijkt op de islam, zoals [bv.] een (ongefundeerde) kritiek zou kunnen zijn: ‘Islam is slecht want islam verplicht elke moslima tot het dragen van de nikab of de boerka.’ De inhoud van de spandoeken brengt daarentegen veeleer de volgende boodschap over: ‘Let op voor de islam want binnenkort wordt elke vrouw in Vlaanderen verplicht een nikab of een boerka te dragen, ook jij, jouw partner, jouw moeder, jouw dochter, enz…”.

De rechtbank gaat hier buitengewoon ver door enerzijds te stellen welke mening wél zou kunnen (door tegelijk ook wel te suggereren dat de mening ongefundeerd is) en anderzijds te zeggen wat voor de rechtbank niet kan. Nu de zaak uiteindelijk over de vrijheid van meningsuiting gaat – die de beklaagden een celstraf oplevert (voor 3 van de 4 weliswaar met uitstel) – geef ik hier de mijne: in een democratie komt het niet aan de rechter toe om bij wijze van richtlijn aan te geven welke mening aanvaardbaar is en welke niet. Er is een belangrijke groep in onze samenleving die inderdaad bang is voor de islam en die meent dat indien er een islamitische meerderheid tot stand komt, deze meerderheid de alsdan ontstane minderheid zal onderdrukken. Velen uiten hun angsten binnenskamers, anderen doen dat via spandoeken. Dat hoort er nu eenmaal bij in een vrije samenleving. Uiteraard is het provocatief om net actie te gaan voeren bij de zaterdagmarkt, maar een volwassen democratie moet dergelijke fait divers een plaats weten te geven.

Het staat in de sterren geschreven dat het Hof van Beroep te Antwerpen zich over deze zaak zal buigen. Het zou ondergetekende buitengewoon bevreemden indien ook dit Hof tot celstraffen zou besluiten. To be continued.