Bespreking arrest 13/2021 van het Grondwettelijk Hof (gezinshereniging – wettelijke samenwoning)

Wij kondigden op onze website aan om het arrest 13/2021 van het Grondwettelijk Hof te bespreken. Bij deze. Het arrest is er gekomen na een prejudiciële vraag van de Raad van State. De Raad van State had namelijk in een Franstalig arrest van 28 mei 2019 (arrestnummer bij de Raad van State 244.636) vragen gesteld over artikel 40bis en 40ter van de Vreemdelingenwet. Deze wet is voluit genaamd: de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De vraag is best ingewikkeld geformuleerd, maar toch herneem ik ze integraal: “Schenden de artikelen 40bis, § 2, 2°, en 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen en in samenhang met de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre zij de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd overeenkomstig het voorschrift van artikel 1476, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en die personen zijn die worden beoogd in de artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek, automatisch uitsluiten van het recht op gezinshereniging, terwijl dat niet het geval is voor de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd maar die niet worden beoogd in de artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek ? ». Het arrest van de Raad van State, waarbij zoals gezegd een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof werd gesteld, was zelf gericht tegen een arrest van 4 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In dat arrest van oktober 2018 had de Raad van State geweigerd om een vraag tot verblijf van meer dan drie maanden toe te kennen op grond van het feit dat een dame, van Congolose origine, weliswaar wel een verklaring van wettelijke samenwoning had afgesloten maar een verklaring met haar oudste dochter. Op die manier voldeed de dame niet aan de voorwaarden van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet dat het verblijfsrecht op grond van wettelijke samenwoning uitsluit wanneer het om een wettelijke samenwoning gaat met een persoon waar men normaal niet mee mag huwen (de zogenaamde “huwelijksbeletselen”). Eén en ander is terug te lezen in artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek: “Het huwelijk is verboden tussen alle bloedverwanten in de rechte opgaande en nederdalende lijn en de aanverwanten in dezelfde lijn.”
Wat de Raad van State met andere woorden wilde weten is de vraag of het verschil in behandeling tussen personen die getroffen worden door “huwelijksbeletselen” en personen die daar niet door getroffen worden geen onaanvaardbare (want ongrondwettige) discriminatie uitmaakt. Het Grondwettelijk Hof is dus van mening van niet.