Hof van Cassatie buigt zich over overhangende takken (artikel 37 veldwetboek)

Het snoeien van overhangende takken mag steeds geëist worden van de buurman/-vrouw. Ook mag je steeds zelfs doorschietende wortels op het eigen perceel afhakken.
In een arrest van 3 januari 2020 bevestigt het Hof van Cassatie uitdrukkelijk dat artikel 37, §4 van het Veldwetboek restrictief dient te worden geïnterpreteerd en dat overhangende takken, dan wel doorschietende wortels, nooit het voorwerp kunnen uitmaken van de verkrijgende verjaring.
Het cassatieberoep was gericht tegen twee vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van respectievelijk 8 december 2006 en 7 december 2007, waarbij de rechter van oordeel was dat minstens door verkrijgende verjaring een erfdienstbaarheid werd gecreëerd ten behoeve van de nabuur wiens takken over de perceelsgrens hangen. In het tweede vonnis werd een gelijkaardige redenering gevolgd voor wat betreft de wortels van bomen die doorschieten naar het aangrenzende perceel.
Artikel 37, §1 van het Veldwetboek bepaalt dat “[d]egene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, de nabuur [kan] noodzaken die takken af te snijden”. Artikel 37, §3 van het Veldwetboek bepaalt dan weer dat “[d]egene op wiens erf wortels doorschieten, ze aldaar zelf [mag] weghakken”.
Conform §4 van datzelfde artikel verjaart het recht om overhangende takken te doen snoeien of zelf doorschietende wortels af te hakken niet.
Het Hof van Cassatie volgt de redenering van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel niet en stelt zeer duidelijk dat er in het geval van overhangende takken of doorschietende wortels nooit sprake kan zijn van (verkrijgende) verjaring, noch dat er na verloop van tijd een erfdienstbaarheid tot stand zou komen.
Van de nabuur wiens takken overhangen, kan met andere woorden steeds geëist worden om deze te snoeien. In het geval van doorschietende wortels mogen deze steeds door de eigenaar van het aangrenzende perceel afgehakt worden.