Verplicht terughalen van IS-bruiden met hun kinderen: twee keer neen en nu toch ja?

Op tweede Kerstdag velde de tiende Kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel een zogenaamde “beschikking”, een rechterlijke beslissing die volgt op een dagvaarding die een kort geding nastreeft omdat de ingeroepen feiten om een dringende behandeling vragen.

Op twitter hebben verschillende commentatoren al van zich laten horen. De kritiek op de beschikking vat zich samen als rechterlijk activisme, de rode loper voor het kalifaat, ivoren-toren-rechtspraak enzovoort. De verdedigers van de beschikking zijn, al bij al, niet zo talrijk. Men verdedigt veeleer de noodzaak om respect te hebben voor uitspraken van rechters in plaats van de inhoudelijke waarde van de beslissing van 26 december 2018. Dat is voor mij veelzeggend.

Bij deze een poging tot bespreking van de beslissing van de Brusselse kort-geding-rechter.

Wat bij de beschikking allereerst opvalt, zijn de sneren naar de advocaten. De advocaat van de twee islamitisch getrouwde bruiden wordt verweten een uitermate slordig dossier te hebben samengesteld waarbij de gestelde vorderingen niet meer waren dan wat reeds aan twee andere rechtbanken zonder succes was voorgelegd. De (advocaat van de) Belgische Staat – lees: de minister van Justitie en de Minister van Buitenlandse Zaken – wordt voor de voeten geworpen dat niet wordt aangetoond waarom er sinds 22 december 2017 (de datum waarop ons land besliste om enkel kinderen uit Syrië terug te halen zonder ouders) geen uitvoering is gegeven aan de beleidsbeslissing van terughalen van de kinderen uit Syrië. De Belgische Staat krijgt ook kritiek omdat de Staat de moeders niet helpt bij het verzamelen van bewijzen die de door hen ingeroepen feiten kunnen onderbouwen: namelijk dat het leven van hun 6 kinderen – in relatief hoog tempo verwekt – in gevaar is. Dat hun kinderen zelfs dreigen te sterven. In bewoordingen die ik onderschrijf zegt de kort-geding-rechter dat de Belgische Staat inderdaad gehouden is tot “openheid” en tot “minstens een zekere mate” aan medewerking aan de bewijsvoering. Het lijkt mij juist te zijn dat de Belgische Staat onvoldoende informatie bezorgt over deze zaak en over de pogingen die al lang met succes hadden moeten ondernomen zijn om enkel de kinderen terug te halen (zonder de moeders).

Kortom, de 10de kamer van de Brusselse rechtbank moest dus oordelen op grond van twee dossiers (zogenaamde “stukkenbundels”) die onvolledig, onduidelijk, of in de woorden van de rechtbank, “defect” waren. Dat er in die omstandigheden toch een beslissing is gekomen die bovendien de Belgische Staat veroordeelt tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1440 euro aan de Syrische dames is voor praktijkjuristen erg opmerkelijk.

Ik wil mijn kritiek op de beschikking dan ook enkel tot dit punt beperken. Ik meen dat de kort-geding-rechter als het ware het werk heeft over gedaan van de advocaat van de twee moeders die in eigen naam hun vorderingen stelden. U moet mij niet op mijn woord geloven, maar geloof me vrij: dat gebeurt zo goed als nooit. Rechters zijn in ons land overbevraagd en hebben, dat kunnen niet veel mensen ontkennen, zéér veel werk. Wanneer een dossier aan een rechter wordt voorgelegd dat “defect” is, dit zijn de letterlijke woorden van de rechter in deze zaak, dan zal de zaak altijd worden uitgesteld om de partijen in staat te stellen hun huiswerk over te doen. Lukt dat de partijen niet dan worden de vorderingen afgewezen.

In deze zaak zou men kunnen aanvaarden dat een grotere souplesse nodig was omdat het lot van kinderen op het spel staat. Toch denk ik dat er elegantere oplossingen waren dan wat de rechter in deze zaak heeft ondernomen. Niet alleen heeft de rechter de vorderingen van de eisende partijen volledig geherfomuleerd en zelfs uitgebreid (de eisende partijen streefden immers niet na dat ook de moeders gerepatrieerd zouden worden). De rechter heeft volgens mij ook niet adequaat gereageerd op het feit dat het Brusselse Hof van Beroep al in een arrest van 12 september 2018 definitief geoordeeld heeft dat een Belgische rechter de staat (de uitvoerende macht) niet kan dwingen om bepaalde verplichtingen te realiseren op het grondgebied van een ander land dat ook nog eens in oorlog verkeert. In dat arrest stelde het Hof immers dat de Belgische Staat geen rechtsmacht heeft om verplichtingen die op de staat zouden rusten als gevolg van bijvoorbeeld het Verdrag inzake de Rechten van het Kind te realiseren in Syrië.

De Brusselse kort-geding-rechter zegt in zijn beschikking enerzijds dat het Hof van Beroep reeds definitief heeft geoordeeld, maar maakt anderzijds toch een geheel nieuwe beslissing die opnieuw ingaat op de grond van de zaak. Dit is nochtans maar in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk: namelijk wanneer er gewijzigde omstandigheden zijn die maken dat de eerder gestelde vordering gebaseerd was op omstandigheden die men toen nog niet kende. Welnu, in deze zaak lijkt het mij evident te zijn dat die omstandigheden niet aanwezig zijn.

De beschikking van de kort-geding-rechter in de zaak van de IS-bruiden is volgens mij principieel fout. Het zou onze rechtsorde ten goede komen als het Brusselse Hof van Beroep verklaart dat de zaak al definitief beslecht is geweest in september 2018 en aldus de moeders opnieuw in het ongelijk stelt. Betekent dit dat de kinderen niet naar hier moeten teruggehaald worden? Neen. Het gaat hier evenwel om een politieke beslissing die waardevol is om uit te voeren maar dan zonder dat daarvoor woekerdwangsommen tegenover staan. Laat staan dat de Belgische Staat nog eens een rechtsplegingsvergoeding van 1440 euro moet betalen aan deze dames die, mochten zij in plaats van de staat veroordeeld worden tot deze vergoeding, ze hoogstwaarschijnlijk zelf niet zouden betalen.

 

Anthony GODFROID, advocaat, anthony.godfroid@fidelitas.be